Afbuiging van een lichtstraal, 2e orde benadering

Bereken, uitgaande van de differentiaalvergelijking van de geodetische lijn van een lichtstraal rondom een puntmassa, de afbuiging van die lichtstraal (in een tweede orde benadering).
Dit is de differentiaalvergelijking van de geodetische lijn van een lichtstraal rondom een puntmassa (voor de afleiding zie deze pagina):
Vergelijking
Hierin is u de reciproke van de radiële afstand r:
Vergelijking
Schwarzschild
Schwarzschild

En Rs is de Schwarzschild-straal, de horizon van een zwart gat:

Vergelijking

Het slechte nieuws is: er is geen exacte oplossing bekend van deze differentiaalvergelijking. Het goede nieuws is: in de wiskunde zijn we niet voor één gat te vangen. Wanneer ik in vergelijking (1) de term aan de rechterkant weglaat dan blijft dit over:
Vergelijking
Newton
Newton

Vergelijking (4) is het newtoniaanse equivalent en de term aan de rechterkant is dus een relativistische correctie. Relativistische correcties zijn doorgaans (heel) klein en worden pas significant in extreme situaties zoals bij neutronensterren en zwarte gaten. We zien het ook aan de aanwezigheid van Rs in die term, want Rs is in ‘gewone’ gevallen heel klein zoals uit onderstaande tabel blijkt (R is de straal van het betreffende hemellichaam, voor de gegevens van de hemellichamen zie de tabel met fysische gegevens).

Gerangschikt naar oplopende waarden van Rs/R
Hemellichaam:Rs/R:
Baksteen
Baksteen
≈ 0.00000000000000000000000003 = 3 ∙ 10−26
Rotsblok
Rotsblok van 100 kg,
(diameter = 1 meter)
≈ 0.0000000000000000000000003 = 3 ∙ 10−25
Pluto
Pluto
0.0000000000163 = 1.63 ∙ 10−11
Maan
Maan
0.0000000000628 = 6.28 ∙ 10−11
Mercurius
Mercurius
0.000000000201 = 2.01 ∙ 10−10
Mars
Mars
0.000000000281 = 2.81 ∙ 10−10
Venus
Venus
0.00000000119 = 1.19 ∙ 10−9
Aarde
Aarde
0.00000000139 = 1.39 ∙ 10−9
Uranus
Uranus
0.00000000504 = 5.04 ∙ 10−9
Neptunus
Neptunus
0.00000000614 = 6.14 ∙ 10−9
Saturnus
Saturnus
0.0000000140 = 1.40 ∙ 10−8
Jupiter
Jupiter
0.0000000394 = 3.94 ∙ 10−8
Canis Majoris
Canis Majoris
≈ 0.00000005 = 5 ∙ 10−8
Betelgeuse
Betelgeuse
≈ 0.0000001 = 1 ∙ 10−7
Aldebaran
Aldebaran
≈ 0.0000001 = 1 ∙ 10−7
Zon
Zon
0.00000425 = 4.25 ∙ 10−6
Andromeda
Andromeda
≈ 0.000006 = 6 ∙ 10−6
Witte dwerg
Witte dwerg
≈ 0.0005 = 5 ∙ 10−4
Neutronenster
Neutronenster
≈ 0.5 = 5 ∙ 10−1
Zwart gat
Zwart gat
1 = 1 ∙ 100
(Credits voor de foto’s van de hemellichamen: NASA)
De oplossing van vergelijking (4) is simpel en overbekend, dat is de sinus, of de cosinus, of een combinatie van beide, dat is een kwestie van je assenstelsel roteren, maar dat maakt hier niet uit want we hebben bolsymmetrie. De lichtstraal komt ergens van ‘ver weg’ en de loodrechte afstand van dit begintraject tot een as precies door het middelpunt van het hemellichaam is de impactparameter (of in beter Nederlands: inslagparameter) b.
Afbuiging van een lichtstraal
b is de impactparameter, voor grote waarden van b gebeurt er niets,
voor b = 0 heb je een frontale botsing
Aldus kan ik als newtoniaanse oplossing of niet-relativistische oplossing of nulde orde oplossing (net hoe je het noemen wilt) schrijven:
Vergelijking
Merk op dat dit de vergelijking is van een rechte lijn, want in poolcoördinaten geldt:
Vergelijking
Vergelijking
De sinus kan ik schrijven als functie van de tangens:
Vergelijking
Met al deze ingrediënten wordt vergelijking (5):
Vergelijking
Hetgeen een perfecte horizontale rechte lijn is.
Grafiek
De grafiek van y = b voor b = 1 (de rode lijn),
b = 2 (de groene lijn) en b = 3 (de blauwe lijn)
Omdat de term aan de rechterkant van vergelijking (1) klein is zal het exacte antwoord maar een klein beetje afwijken van vergelijking (5) en dus is het een goed idee om vergelijking (5) als startpunt te nemen en vervolgens naar een nauwkeuriger antwoord toe te werken. Op deze pagina vond ik de eerste orde oplossing:
Vergelijking
Vervolgens ga ik wat proberen, zoals meestal met differentiaalvergelijkingen en net als bij de eerste orde oplossing, met een antwoord dat in de buurt ligt van vergelijking (9) door nog een stel termen toe te voegen (met A, B, C, D, E en F als nog te bepalen parameters):
Vergelijking
De afgeleide hiervan is:
Vergelijking
En de tweede afgeleide is:
Vergelijking
De vergelijkingen (10) en (12) vul ik in aan de linkerkant van vergelijking (1) en de eerste orde oplossing aan de rechterkant. De term F sin5 laat ik in de laatste regel weg, want dat is een hogere orde term die dan niet meer van belang is (maar de F-parameter was wel nodig om de andere parameters kloppend te krijgen).
Vergelijking
Hieruit volgt door termen met gelijke exponenten te vergelijken:
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
De waarde van B maakt uiteraard niets uit, want dat is de term die er per definitie uitvalt (de rechte lijn). Door de gevonden waarden van A, C, D en E in te vullen (voor B vul ik simpelweg nul in) in vergelijking (10) heb ik een nauwkeuriger antwoord gevonden (nauwkeuriger dan de eerste orde oplossing van vergelijking (9)). Het eindresultaat is dus de combinatie van de vergelijkingen (5) en (10):
Vergelijking
Ik weet dat φ heel klein is (en sin φ dus ook) en dat Rs/b ook heel klein is, en daarom kan ik met een gerust hart een aantal hogere orde termen overboord zetten:
Vergelijking
Dit ga ik wat reorganiseren:
Vergelijking
Met behulp van de abc-formule vind ik een oplossing voor sin φ:
Vergelijking
De eerste orde oplossing leerde mij dat ik het minteken moet gebruiken:
Vergelijking
Taylor
Taylor

Ik ga de wortel ontwikkelen in een reeks. In de tabel met Taylor-reeksen vinden we:

Vergelijking

Dit vul ik in in vergelijking (19), waarbij ik de eerste drie termen meeneem (want ik zoek een tweede orde benadering):
Vergelijking
Hiervan neem ik de limiet voor r gaat naar oneindig:
Vergelijking
Ik ga de sinus ook ontwikkelen in een reeks. In de tabel met Taylor-reeksen vinden we:
Vergelijking
Hiermee wordt vergelijking 22 (waarbij ik alleen de eerste twee termen van de reeks meeneem):
Vergelijking
Nu heb ik een derdegraads vergelijking die mij alleen maar verder van mijn einddoel afbrengt, want ik moet de nulpunten gaan opzoeken en daarin verschijnen opnieuw sinussen (en boogsinussen). Zo zien die nulpunten eruit:
Vergelijking
Ik ga op een andere manier verder. Zoals vergelijking (6a) al aangaf is φ de boogtangens van y/x:
Vergelijking
En vergelijking (7) liet zien dat ik de sinus kan schrijven als functie van de tangens:
Vergelijking
Via deze weg wordt vergelijking (22):
Vergelijking
Dit was het eerste orde resultaat:
Vergelijking
Op deze manier wordt in één klap duidelijk wat de tweede orde bijdrage is. Afgezien van het teken, en voortbordurend op het eerste orde resultaat, is dit de afbuigingshoek in een tweede orde benadering:
Vergelijking
Zoals ik al aangaf worden relativistische correcties pas significant in extreme situaties zoals bij neutronensterren en zwarte gaten. Deze tweede orde berekening is een leuke exercitie, maar heeft geen enkel praktisch nut, want bij ‘gewone’ hemellichamen is bovenstaande tweede orde bijdrage totaal onbeduidend en onmeetbaar terwijl het daarentegen bij neutronensterren en zwarte gaten totaal ontoereikend is (dan heb je juist veel meer termen nodig, iets wat in de buurt komt van een exacte oplossing). Maar, zoals gezegd, dit was wel een leuke rekenexercitie.
Astronomische foto
Alleen bij hevige gravitatiegebeurtenissen
voldoet een eerste orde benadering niet meer