De omtrek van een planeetbaan

Bereken de omtrek van een planeetbaan.
Kepler
Kepler

Planeten beschrijven banen om sterren en die banen hebben de vorm van een ellips: de eerste wet van Kepler.

Grafiek
In poolcoördinaten beschrijven we dat als volgt:
Vergelijking
Hierin is e de excentriciteit van de ellips:
Vergelijking
Met a de halve lange baanas en b de halve korte baanas. We kennen ook de complementaire excentriciteit:
Vergelijking
Er geldt dus altijd:
Vergelijking
De omtrek van een planeetbaan is dus ‘simpelweg’ de omtrek van een ellips. In Carthesische coördinaten is de vergelijking van een ellips:
Vergelijking
Voor het gemak heb ik de oorsprong nu in het middelpunt van de ellips geplaatst.
Grafiek
Om de omtrek van de ellips te kunnen berekenen ga ik om te beginnen inzoomen op een infinitesimaal deel van de ellips.
Grafiek
Pythagoras
Pythagoras

Voor dat infinitesimale stukje booglengte geldt (volgens de stelling van Pythagoras):

Vergelijking

Dit ga ik iets anders opschrijven:
Vergelijking
Voor de totale booglengte, de omtrek van de ellips, is het dan nog slechts een kwestie van integreren:
Vergelijking
Ik heb dus de afgeleide nodig van de vergelijking van de ellips en daarom ga ik vergelijking (3) differentiëren:
Vergelijking
Dit ga ik invullen in (6):
Vergelijking
Om de omtrek van de ellips te berekenen neem ik als integratiegrenzen x = 0 en x = a. Dan heb ik de booglengte van een kwart ellips en daarom moet ik het antwoord vervolgens nog met vier vermenigvuldigen om aan de totale omtrek te komen:
Vergelijking
Ik stel:
Vergelijking
Vergelijking
Hiermee wordt vergelijking (9):
Vergelijking
Met behulp van vergelijking (2a) wordt dit:
Vergelijking
Taylor
Taylor

Deze functie is in deze vorm niet te integreren en daarom wenden we ons tot reeksontwikkeling. In de tabel met Taylor-reeksen vinden we:

Vergelijking

Hiermee kan ik de teller van de integraal als volgt schrijven:
Vergelijking
Omdat x maximaal de waarde a heeft betekent dit dat u maximaal één is. En e is de excentriciteit van de planeetbaan en die heeft doorgaans een waarde die dichter bij nul ligt dan bij één (in ons zonnestelsel). Daarom vind ik het ruimschoots mooi genoeg wanneer we alleen de termen tot en met u10 meenemen:
Vergelijking
Nu heb ik zes integralen en die ga ik afzonderlijk oplossen (met behulp van de tabel met integralen):
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Vergelijking
Daarmee wordt (15):
Vergelijking
Hierin valt de volgende regelmaat te ontdekken:
Vergelijking
Ik ga die dubbele faculteiten omschrijven naar een enkele faculteit:
Vergelijking
Vergelijking
Hiermee kan ik vergelijking (18) ook schrijven als volgt:
Vergelijking
Ik had ook op een andere manier dit punt kunnen bereiken door in vergelijking (12) u simpelweg te vervangen door sin t:
Vergelijking
Deze integraal staat te boek als de complete elliptische integraal van de tweede soort en die kunnen we ook opzoeken in de tabel met integralen:
Vergelijking
En hier staat weer precies hetzelfde (iets anders opgeschreven) als het resultaat van vergelijking (21). Het spreekt voor zich dat deze reeks sneller convergeert voor kleine waarden van e dan voor grote waarden van e.
Ivory
Ivory

Gelukkig kreeg de Schot James Ivory ooit de briljante inval om te stellen:

Vergelijking

Hier staat f (e), maar de inverse functie e (f) is nog boeiender:
Vergelijking
Dit werk ik verder uit waarbij ik gebruik maak van (24):
Vergelijking
En dit stop ik in vergelijking (21):
Vergelijking
Een complexe transformatie brengt ons dan uiteindelijk bij:
Vergelijking
Behalve dat e2 vervangen is door f zit het verschil ook in de noemer van de breuk direct na het sommeringsteken, daar staat geen (2n − 1) maar (2n − 1)2. Het gevolg is dat de reeks volgens vergelijking (28) veel sneller convergeert dan de reeks volgens (21), mede omdat f altijd kleiner is dan e2, en dus heeft (28) de voorkeur. Dat f altijd kleiner is dan e2 laat onderstaande grafiek zien. Horizontaal staat daar b/a uit, dus helemaal links is de ellips een perfecte cirkel en helemaal rechts is de ellips zo plat als een dubbeltje (een lijn), en verticaal staat de verhouding f/e2.
Grafiek
f/e2 als functie van b/a
Verder staat voor het sommeringsteken in vergelijking (21) een minteken en in (28) een plusteken waardoor de reeks van (21) de eindwaarde van bovenaf nadert en de reeks van (28) doet dat van onderaf. Voor de convergentiesnelheid maakt dit uiteraard niets uit.
Mercurius
Mercurius
(Credits: NASA)

Dan is het nu een goed moment om ‘echt’ te gaan rekenen (het is eigenlijk altijd een goed moment om te rekenen, maar goed, dat is mijn persoonlijke mening). Mercurius is de planeet met de meest elliptische baan (in ons zonnestelsel): e = 0.2. Voor beide berekeningsmethoden (de reeks volgens (21) of (28)) is dit een eitje en na een paar termen zijn ze het er al op zes cijfers nauwkeurig over eens dat Mercurius per omloop 359.977 miljoen kilometer aflegt (vergelijking (21) heeft hiervoor twee termen van de sommering nodig en (28) slechts eentje).

Pas bij veel excentrischer banen wordt het verschil in convergentiesnelheid tussen beide reeksen significant. Voor het onderstaande plaatje heb ik de lange as tienmaal zo lang gekozen als de korte as hetgeen maakt dat e = 0.995, en verder heb ik de waarden van a en b zo gekozen dat er als antwoord precies één uitkomt. Duidelijk is te zien dat (21) van bovenaf nadert (de rode blokjes) en (28) van onderaf (de blauwe blokjes) en dat (28) dat veel sneller doet.
Grafiek